Sla het menu over en ga direct naar de content van deze pagina. Sla het menu over en ga direct naar zoeken.
Cordaid EN
Cordaid

Afghaanse collega’s leven in angst en onzekerheid. “Wat als ze op mijn deur kloppen?”

Een klein deel van onze Afghaanse collega’s is na de machtsovername van de Taliban geëvacueerd. Veruit de meesten zitten nog in het land. We spraken met een aantal van hen, vrouwen en mannen. “Als ik vertrek gaan ze achter mijn familie aan.”

December 2019, het centrum van Kaboel. © Ezom

De generatie van de democratie, zo noemen ze zichzelf. De jongeren die opgroeiden na 2001, het jaar waarin het regime van de Taliban ten einde kwam. Ze bouwden mee aan een nieuw Afghanistan, genoten van hun vrijheid en koesterden hun universitaire diploma’s. Ze werkten zichzelf hogerop, eisten inspraak en riepen hun leiders ter verantwoording. Ze ontpopten zichzelf tot jonge leiders.

Zeker voor vrouwen was dat iets nieuws. Althans, voor een kleine minderheid. Want vrouwen mochten in de grote steden wel weer naar school en naar de universiteit, maar voor de meesten was dat toch nog te duur. Of not done. Maar het kón.

Wat ben ik kwijt? Wat mag ik nog?

Nu, na een rappe opmars, zijn de Taliban terug in het centrum van de macht. De generatie van de democratie is in shock. Wat ben ik kwijt? Wat kan ik nog, wat mag ik nog? Wat is het land kwijt? Na de chaos, de angst en het verdriet, druppelt het besef steeds dieper door dat hun levens totaal overhoop zijn gehaald.

Net als in alle landen waar we werken, heeft Cordaid ook in Afghanistan bijna uitsluitend lokale mensen in dienst. Getalenteerde professionals die samen met Cordaid en met de internationale gemeenschap werkten aan betere gezondheidszorg en meer inspraak voor vrouwen. Die noodhulp verleenden aan wie have en goed kwijt was; kleine ondernemers hielpen in hun bedrijfsvoering. Die bouwden aan vrede.

 

“Iedereen rende, iedereen wilde weg. Alle taxi’s waren bezet. Ik ben naar huis gelopen, moest een bergpas over. Tien uur deed ik erover.”

 

Ze werkten in de meest moeilijke omstandigheden. Want ondanks die democratie was er nog steeds oorlog. Er viel nog veel te doen. Maar ze waren vol trots en goeie moed om deel uit te maken van die nieuwe generatie Afghanen die democratie gestalte gaven.

En nu, na de val van Kaboel op 15 augustus, staat alles op losse schroeven. Alles wat onze collega’s deden en waar ze voor stonden plaatst hen mogelijk in een kwalijk daglicht bij de nieuwe machthebbers, die, zacht uitgedrukt, weinig op hebben met de internationale aanwezigheid in hun land. Ze voelen zich een doelwit.

Aanpassen, (hoe) doe je dat?

Mensen passen zich aan om te overleven. Ze worden voorzichtig, maken zich klein. Voor een generatie die leerde om zich uit te spreken is zwijgen een trauma. Of zoals een collega het zegt, “ik gruwel bij de gedachte mijn leven te verliezen, maar de democratie verliezen is even gruwelijk”.

Voor vrouwen komt het aanpassen aan de nieuwe machtsverhoudingen goeddeels neer op binnenblijven, jezelf opsluiten. Wekenlang. Maandenlang inmiddels. Daarmee is de ‘terugkeer naar de duisternis’, waar ze zich zo moedig tegen verzetten toen de Taliban het afgelopen jaar aan militaire en politieke macht won in het land, ingezet.

Toch is er nog hoop. De Taliban van nu zijn niet de Taliban van 2001. En ook de Afghanen zijn veranderd in die twee decennia. Vrijheid, opleiding en social media maakten mensen mondiger.

Hoe het verder gaat, met onze collega’s, met Cordaid, met Afghanistan, weet niemand. De Taliban hebben internationale hulporganisaties nog geen officiële instructies gegeven. Er circuleren allerlei geruchten, er zijn signalen die soms het ergste doen vrezen. Maar formeel is niets nog duidelijk. Intussen leven onze collega’s in een schemerzone.

Wat dat betekent blijkt een beetje uit gesprekken die we voerden met een aantal van hen, twee vrouwen en twee mannen. Om voor de hand liggende redenen hebben we alle persoonsgegevens weggelaten.

Val van Kaboel

“Om tien uur in de ochtend hoorden we iemand roepen ‘de Taliban vallen Kaboel binnen’. We zaten in een overleg. Toen begon de chaos. Buiten zag ik dat opstoppingen de hele stad blokkeerden. Iedereen rende, iedereen wilde weg. Alle taxi’s waren bezet. Ik ben naar huis gelopen, moest een bergpas over. Tien uur deed ik erover”, zegt een collega.

“Ik ben nog jong. Ik had de Taliban nog nooit gezien in de hoofdstad. En nu omsingelden ze ons. Winkeliers, ambtenaren, zelfs politiemensen sloegen op de vlucht. Vooral dat laatste shockeerde me. Degenen die je eigenlijk moeten helpen, rennen voor hun leven. Ik kan me niet voorstellen hoe het voor onze vrouwelijke collega’s moet zijn geweest, die dag.”

 

“Mijn vrouw is politieagent en daarmee een direct doelwit van de Taliban. Net als ik moet zij onderduiken.”

 

Het antwoord op die vraag is eenvoudig. “Het was de ergste dag in mijn leven. Die dag verloren wij vrouwen alles”, zegt een collega over de dag waarop Herat viel, de stad in het westen die een paar dagen eerder door de Taliban werd veroverd.

“Nadat we hoorden dat ze de stad waren binnengevallen, besloot ik meteen documenten te verbranden die gevaar zouden kunnen opleveren”, zegt een collega uit Kaboel. Iemand anders deed hetzelfde. “Toen ik eenmaal thuis was, heb ik oude paspoorten, aanbevelingsbrieven en andere zaken verbrand. Ik twijfelde nog over mijn universiteitsdiploma’s. Uiteindelijk heb ik die onder de vloer verstopt. Ik ben afgestudeerd in de psychologie en in ontwikkelingseconomie, in het buitenland.”

Drie keer verhuisd, drie keer op de vlucht

Die laatste collega heeft tal van redenen om zich ernstig zorgen te maken. Hij loopt risico’s door zijn maatschappelijk werk en zijn etniciteit, hij behoort tot een vervolgde minderheid. “En mijn vrouw is politieagent en daarmee een direct doelwit van de Taliban. Net als ik moet zij onderduiken.”

 

“Een paar weken terug hebben gewapende mannen nog iemand in elkaar getrimd omdat hij een jeansbroek droeg.”

 

“De afgelopen twee maanden zijn we drie keer verhuisd, uit veiligheid. Eerst gingen we terug naar onze geboortestreek, in het westen, maar daar waren we te bekend. Kaboel is groter en daardoor relatief veiliger. Financieel is het heel zwaar. Je kunt nergens een betaalbare plek vinden om te verblijven. Ik moet geld lenen van vrienden. Thuis is de spanning om te snijden. Ik doe alles om er te zijn voor mijn vrouw, ook als psycholoog. Ik kan nu en dan nog naar buiten, naar kantoor. Maar zij zit al maanden tussen vier muren. Ze is wanhopig. De angst om gepakt te worden is extreem.”

Stropdassen, jeansbroeken, baarden

Uit veiligheidsoverwegingen  doen collega’s zo goed als niets meer op sociale media. “Alleen op twitter laat ik nog iets zien van mijn verdriet en frustratie”, zegt iemand. Sommige mannelijke collega’s hebben hun broek en stropdas verruild voor traditionele Afghaanse kledij. “Er zijn nog formele kledingvoorschriften afgekondigd. Niemand weet dus wat precies mag en niet mag. Maar een paar weken terug hebben gewapende mannen nog iemand in elkaar getrimd omdat hij een jeansbroek droeg. Logisch dat mensen zekere voor het onzekere nemen en zich aanpassen”, legt iemand uit.

Je baard laten staan hoort ook bij dat aanpassen. “Baarden zijn het nieuwe normaal onder de Taliban.” Eén collega verschijnt nog gladgeschoren voor de camera tijdens een interview op Teams. “Mijn vrouw kan het gewoon niet aanzien, ik met een baard”, zegt hij.

Er gaan veel verhalen rond over huiszoekingen en mensen die verdwijnen. Over moordpartijen. Soms zijn het vage geruchten die worden gedeeld op sociale media en die de paniek flink voeden. Soms komen ze van zeer betrouwbare bronnen.

Wie een wapen heeft hoeft niets uit te leggen

“Overal lopen gewapende lui rond”, zegt een collega. “Ze dragen nooit een uniform, je komt er nooit achter wie wie is of waar ze bij horen. Elke groepje heeft zo zijn eigen regels. Zelfs als er instructies komen van hogere Taliban leiders, weet je nooit of ze zich eraan houden. Een broer van een tolk die voor de Amerikanen heeft gewerkt is laatst vermoord. Ik kende hem. Meestal, als er iemand is gedood, weet je nooit wie het heeft gedaan, of waarom, of wie het slachtoffer is. Er is totaal geen rechtsorde. Wie een wapen heeft hoeft niets uit te leggen, of verantwoording af te leggen voor zijn daden.”

 

“Ik kom amper nog mijn huis uit. Doe ik dat wel, dan kan ik zomaar publiekelijk met de zweep worden afgestraft.”

 

“Het zijn allemaal zaken die ons, mensen die verbonden zijn aan de internationale gemeenschap, het gevoel geven dat om het even wie met een wapen het ook op ons kan hebben gemunt. Wanneer kloppen ze op mijn deur? Het is nog niet gebeurd. Maar elke dag zie ik die gewapende figuren wel rondjes maken rond ons woonblok. Ik blijf binnen, heb verbrand wat ik moest verbranden. Maar slapen doe ik amper”, vervolgt hij.

Deze collega verloor zijn vader toen hij nog een kind was. Vermoord. Hij legt uit dat, hoe graag hij ook weg wil, evacuatie geen optie als zijn familie niet meekan. “Ik draag de zorg voor mijn moeder en jongere broers. Zonder mij komen ze niet rond. Bovendien, als ik vertrek, dan gaan die gewapende lui achter mijn familie aan. Dat kan ik hen gewoon niet aandoen.”

Vroeger en nu

Voor vrouwen kan de breuk met vroeger niet dieper zijn dan die nu is. “Vroeger bezocht ik voor mijn werk locaties in het hele land. Ik deed mee met cursussen vrouwelijk leiderschap. Ik werkte samen met collega’s in andere delen van de wereld. Dat is allemaal onmogelijk geworden”, zegt een collega uit Herat die is afgestudeerd in de Rechten en de Politieke Wetenschappen. “Nu kom ik amper nog mijn huis uit. Doe ik dat wel, dan kan ik zomaar publiekelijk met de zweep worden afgestraft. Ik ken vrouwen die de straat op gingen om hun onvrede te uiten. Hun telefoons zijn afgepakt en ze zijn met de zweep afgerost.”

“De afgelopen 20 jaar hebben we met succes gestreden voor onze rechten. Nu zijn we alles kwijt. Ons recht op werk, op onderwijs, op een sociaal leven, op vrijheid”, verzucht ze.

 

“We steunen elkaar zo goed als we kunnen. We moeten positief blijven. We moeten hier doorheen.”

 

Voor de collega uit Kaboel is het niet anders. “Veel meer dan vroeger staren mannen je aan als je buiten komt. Ze roepen je na. Je voelt dat de sociale druk op vrouwen gigantisch is toegenomen sinds de machtsovername. Ik neem geen enkel risico. Ik blijf binnen en zelfs met mijn telefoon ben ik voorzichtig.”

Slecht internet raakt vrouwen harder

Vrouwen worden dubbel geïsoleerd. Door het regime dat hen verplicht om binnen te blijven én door het belabberde internet. “Mannen kunnen nog naar kantoor, waar ze gebruik kunnen maken van een solide ICT infrastructuur en kunnen internetten. Wij zitten thuis, met een slechte internettoegang, waardoor we ons werk, want we werken vanuit huis, veel slechter kunnen doen. We hebben geen connectie met de wereld”, zegt een collega.

“Binnen zitten en jezelf opsluiten is mentaal erg zwaar. Je gedachten schieten voortdurend alle kanten op. Wat als ik morgen wordt opgepakt? Je wéét gewoon niet wat er gaat gebeuren. Op Whatsapp hebben we kleine groepjes met vrouwelijk collega’s. We steunen elkaar zo goed als we kunnen. We moeten positief blijven. We moeten hier doorheen.”

Iemand anders: “Ik ben als de dood dat mijn baan wordt overgenomen door een man, die wél projectlocaties kan bezoeken, wél naar kantoor kan, wél kan internetten. En als ik mijn baan verlies, dan is dat een extra ramp.”

 

“Noodhulp voor de allerarmsten in dit land moet de grootste prioriteit hebben.”

 

Wat niet wegneemt dat mannen hun eigen sores hebben. Als ze al naar kantoor gaan, of naar een andere werkplek om in het onderhoud van hun gezin te voorzien, dan is het niet dat ze niet bang zijn. Dat zijn ze wel. Lopen zonder gezichtsbedekking maakt je herkenbaar. En dus kwetsbaar.

Economische crisis, humanitaire crisis

De chaos en de politieke crisis zorgen ook voor nóg meer economische ellende. “De rijen arme mensen die hopen op een stukje gratis nan (plat brood) worden elke dag langer”, zegt een collega in Kaboel. “De helft van de Afghaanse bevolking voert een strijd om te overleven en heeft dringend humanitaire hulp nodig. Iedereen zoekt naar manieren om met deze crisis, met de angsten en de onveiligheid om te gaan. Maar noodhulp voor de allerarmsten in dit land moet de grootste prioriteit hebben”, vindt hij.

Ik weet nog, als kind…

Afghanen van de democratische generatie waren kleuters in de tijd dat de Taliban het land bestuurden, van 1996 tot 2001. Ze hebben allemaal zo hun jeugdherinneringen. “Ik weet nog dat ik zag hoe een vrouw met de zweep werd geslagen. En een keer rende onze buurvrouw bij ons naar binnen, roepend dat we haar moesten verbergen. Ze zaten achter haar aan omdat ze zonder mahram (mannelijke begeleider) naar de markt was gegaan”, zegt een collega. “Nu, 20 jaar later, dreigt dat met ons te gebeuren als we naar buiten gaan”, weet een ander.

 

“De mogelijkheid van een stabiel en vreedzaam Afghanistan moeten we levend houden. Elk woord, elke stap vraagt om voorzichtigheid.”

 

“Ik groeide op in Bamyan, in het westen. We woonden in oorlogsgebied. Drie keer moesten we vluchten. De laatste keer was ik negen. Ons huis hadden ze platgebrand. Het waren de moeilijkste jaren uit mijn leven. Erger dan nu. Ik hoop zo dat er geen totale oorlog uitbreekt”, zegt een mannelijke collega.

Geen olie op het vuur, alsjeblieft

Er zitten op dit moment nog meer dan honderd Cordaid collega’s in Afghanistan. We weten niet of en hoe ze hun werk kunnen blijven doen in de komende tijd. Allemaal zitten ze met dezelfde angsten en hebben ze te maken met de risico’s waarover de vier collega’s ons voor dit artikel vertellen. Hoe het verder gaat met hen en met Cordaid zal ook afhangen van moeilijke gesprekken en onderhandelingen in een politiek zeer gevoelige arena. Hoe dan ook zullen onze mensen tot het uiterste gaan om te kunnen doen waar we voor zijn: opkomen voor de meest kwetsbaren, voor tolerantie en inclusiviteit.

“Oorlog kunnen we ons niet veroorloven. En dus moeten we ons niet alleen maar bezig houden met wat slecht is en negatief”, zegt een collega uit Kaboel. “De media, vooral de buitenlandse, doen dat wel. Ze laaien de boel alleen maar op. Wij, hier in Afghanistan, betalen daar de prijs voor.”

“De mogelijkheid van een stabiel en vreedzaam Afghanistan moeten we levend houden. Elk woord, elke stap vraagt om voorzichtigheid. Geen grote gebaren, geen grote statements. Hoe moeilijk het ook lijkt, we komen alleen verder met verzoening, dialoog, redelijkheid. Geen olie op het vuur. Niet nog eens, alsjeblieft.”

Hoop

Sommigen hebben, hoe somber ze ook zijn, nog steeds hoop. “Niet alle Taliban zijn extremisten. Met sommigen kun je onderhandelen, het gesprek aangaan. Anno 2021 zijn de Taliban erg gebrand op internationale erkenning. Je kúnt je zaak bepleiten, lobbyen. Zeker als Afghaanse en internationale maatschappelijke organisaties en hulporganisaties de krachten bundelen. En opkomen voor vrouwenrechten, mensenrechten, voor tolerantie. Zeker gezien de immense noden in het land en de behoefte aan humanitaire hulp. Die internationale steun heeft Afghanistan nodig, dus ook de Taliban. Samen kunnen de EU, het IMF en alle NGO’s echt wel dingen gedaan krijgen.”

 

“Ik denk na over manieren om te overleven. En dit land te ontvluchten.”

 

Zolang het gesprek maar wordt aangegaan. “Kijk naar 2001, toen de Taliban werden verslagen”, vervolgt dezelfde collega. “De nieuwe leiders maakten toen een grote fout door de Taliban onmiddellijk uit te sluiten van elke deelname aan de macht. Echte dialoog had ons vandaag veel ellende kunnen besparen. En ook al zijn de rollen nu helemaal gekeerd, we moeten blijven praten. Ook nu moeten we blijven opkomen voor een inclusief Afghanistan. Voor vrouwen, voor mannen, voor alle etnische groepen.”

Zijn collega kan het belang van inclusie alleen maar beamen. “Ik behoor tot een minderheid die een lange geschiedenis van onderdrukking kent. Maar de laatste 20 jaar veranderde dat. We zetelden in het parlement, bestuurden mee. We konden studeren. We deden mee. Net als Afghaanse vrouwen begonnen we de ketenen van uitsluiting van ons af te werpen. Dat was geweldig.”

De geesten van mensen

“Maar nu zie ik hoe we dat allemaal dreigen te verliezen. Weet je, ik gruwel bij de gedachte mijn leven te moeten verliezen. Maar de democratie verliezen is even gruwelijk. En waar ik zo bang voor ben is dat niet alleen de instituties van onze rechtstaat instorten, maar dat ook de geesten van mensen in elkaar klappen. Dat ze vergeten wat vrijheid is. Dat de politiek van de angst en de haat het gaan winnen. Dat is ondraaglijk.”

“Intussen doe ik m’n best om niet in een depressie te vallen. Ik lees het nieuws niet, blijf weg van sociale media. Ik steun vooral mijn vrouw, opgesloten in huis. En ik denk na over manieren om te overleven. En dit land te ontvluchten. En hoop dat maatschappelijk gedreven burgers en overheden wereldwijd kunnen voorkomen dat het heel erg donker gaat worden in Afghanistan.”

‘Het enige wat ik vraag is bescherming’

Kaboel is veranderd. Dat ziet onze collega maar al te goed als ze uit haar raam naar buiten kijkt, in een huis dat eigenlijk een gevangenis is. “Deze gigantische stad is stil. Er was altijd drukte. Jongeren in de straten, op weg naar school, de universiteiten. Ook vrouwen. Nu is het leeg. De mannen die je nog op straat ziet lopen gaan gebukt onder een gewicht van zorgen. Ze denken aan hoe ze moeten rondkomen. Aan de veiligheid van hun geliefden. En ik? Het enige wat ik vraag, als iemand die werkt voor een Nederlandse hulporganisatie, is bescherming.”

In Herat zit een andere vrouw binnen in haar woning. “Mijn dochtertje vraagt me waarom ik nooit naar buiten ga. Waarom ik niet iets leuks voor haar kan kopen. ‘Dat komt door de Taliban’, zeg ik haar. En dan roept ze dingen die ik hier beter niet herhaal. Ze is even oud als ik toen de Taliban aan de macht kwamen in 1996. De ene dag wil ze lerares worden, later. Dan weer een dokter. Of doen wat ik doe. Of deed. Ik hoop zo dat ze naar school kan blijven gaan. Dat ze kan studeren, een carrière kan opbouwen. Dat ze in vrijheid kan leven. Zoals ik. Tot voor kort.”

 

Tekst en interviews: Frank van Lierde