Sla het menu over en ga direct naar de content van deze pagina. Sla het menu over en ga direct naar zoeken.
Cordaid EN
Cordaid

Een paradijs in oorlog

Oorlog in Afghanistan is business. Stel, er worden in heel Afghanistan op een doordeweekse dag 100.000 kogels afgevuurd. Niemand telt ze, maar veel zal het niet schelen. Per maand zijn dat drie miljoen kogels. Zeg dat een kogel een kleine dollar kost.Dat is een omzet van drie miljoen dollar. “Er is niet één Afghaan die een kogel kan maken”, zegt mijn Afghaanse begeleider. “Al dat geld gaat naar buitenlandse bedrijven.”

En de kogels zijn nog maar een schijntje. De veiligheidsindustrie, de NATO kampen, de wapenindustrie, ze verslinden miljarden en maken miljardairs. Aanslagen? Geen godsdienst, geen ideologie, maar business.

Wedijverende zakenlui

“Het is gewoon een baan. Je krijgt een paar duizend dollar om doelwit x of y te doden of onschadelijk te maken. Wie arm is en z’n gezin niet te eten kan geven, neemt dat geld makkelijker aan dan iemand anders. De opdrachtgevers zitten, als je de keten maar ver genoeg volgt, in het buitenland. Taliban, IS… het zijn maar verzamelnamen voor een hele grote groep wedijverende zakenlui die met gewapend geweld grof geld verdienen. Het is al vijftig jaar niet anders. Andere namen, zelfde ellende.”

En ellende zien we. Ik ontmoet Farmina. Als een verstotene woont ze in een tentenkampje, in een stoffige kuil langs een weg waar de hele dag door auto’s en vrachtwagens langs razen. Haar man is verslaafd aan de heroïne. Ze heeft hem al weken niet gezien. Hoe ze in dit hellegat terechtkwam? Man werkte voor het Afghaanse leger, terwijl zijn vader bij de Taliban zit. Vader verraadt zoon, zoon wordt opgepakt, ontsnapt, vermoordt eigen vader, verliest baan en raakt verslaafd aan drugs. Farmina mag het alleen opknappen. Ze krijgt wat geld, via Cordaid, waarmee ze haar schulden afbetaalt, voedsel koopt en de dokter betaalt.

Titanenstrijd

Ze levert een titanenstrijd. Vorige week hadden haar kinderen drie dagen niet te eten. Eén van haar zoontjes poetst schoenen in de stad. Met geluk geeft hij haar aan het einde van de dag 200 Afghani. Nog geen drie dollar.

Of neem Humaira. We ontmoeten haar dicht bij de grens met Pakistan. In de verte staan de papavervelden in volle rode bloei. IS-terrein. Het is oppassen geblazen.

Door IS gegijzeld

Humaira is 35 en heeft zes kinderen. Ook zij staat er alleen voor. Niet lang geleden is haar man door IS gegijzeld, om de simpele reden dat hij een baantje had bij de overheid. Haar huis is in brand gestoken. Ook zij leeft in een tent. We kunnen haar niet op die plek – waar amper privacy is – opzoeken. Als weduwe – zo wordt ze al beschouwd – mag ze niet zomaar met vreemden praten.

Bij nacht en ontij is dit het Wilde Westen en kan IS doen wat het wil.

Terwijl ze haar verhaal vertelt, ratelen de gevechtshelicopters achter de bergflanken. In de nauwe stoffige straatjes tussen de lemen muren, huppelen waanzinnig mooie kinderen op blote voeten in het rond. Een paradijs is dit land. Een paradijs in oorlog. Een paradijs waar het verdriet als een rivier doorheen klotst.

Over de grens gejaagd

Er zijn een kleine drie miljoen ontheemden in Afghanistan. Drie miljoen Farmina’s en Humaira’s. Hun aantal neemt toe. Uit Pakistan worden Afghaanse vluchtelingen en vluchtelingenkinderen met honderdduizenden over de grens gejaagd. Terug hun land in, waar velen van hen niet eens zijn geboren. Vaak zonder papieren, bijna altijd zonder middelen van bestaan, staan ze daar, op ‘eigen bodem’.

IS wint terrein, zeker in het grensgebied met Pakistan. Het Afghaanse leger patrouilleert er, maar beschermt alleen eigen troepen. Bij nacht en ontij is dit het Wilde Westen en kan IS doen wat het wil.

Gedeporteerd

Ondertussen worden Afghaanse asielzoekers uit Europa geweerd of teruggestuurd. Noem het gerust gedeporteerd. Een collega wachtte twee weken geleden op zijn vlucht naar Kabul, op de luchthaven van Istanbul. Tussen een kordon van gespierde en gewapende veiligheidsjongens werden drie Afghaanse families de slurf naar het vliegtuig in geduwd. Geen koffers, sommigen gehandboeid. Kinderen, wanhopige moeders, stoere tieners die zich sterk houden.

Terug naar een land waar de oorlog op hen wacht, geduldig en grijnzend. Een oorlog die al vijftig jaar lang niet de hunne is.