Sla het menu over en ga direct naar de content van deze pagina. Sla het menu over en ga direct naar zoeken.
Cordaid EN
Werk en inkomen

Wat de wereld verdient: Een nieuwe agenda?

Door Sebastiaan van der Hoek

Toen het document gepubliceerd werd in april 2013, kende ik de beleidsnota van Minister Ploumen van Ontwikkelingssamenwerking en Handel nog niet. Ik zat op Madagaskar voor mijn scriptie en onderzocht er de biodiversiteit van regenwouden.

Een verrekijker om mijn nek, elke dag het bos in, op zoek naar zeldzame flora en fauna. De invalshoek van mijn studie was puur ecologisch en had met Buitenlandse Zaken weinig van doen. Maar toen al begon er iets te wringen bij me. Want wie heeft er nu iets aan een strikt beschermd nationaal park van tienduizenden hectares, speciaal bestemd voor bamboemaki’s, als men in de omwonende dorpen moet leven van een habbekrats?

Ik besloot me meer te gaan verdiepen in internationale ontwikkelingssamenwerking. Ik wilde mijn blik verbreden. Natuur, sociaal en economie met elkaar verbinden. Natuurbescherming moest de lokale gemeenschappen immers ook ten goede komen, vond ik. Alleen op die manier zou je mensen enthousiast kunnen krijgen voor verantwoord gebruik van het bos en kan er op de langere termijn positieve verandering komen voor iedereen. Maar hoe ga je dan te werk? Een extra Master in International Development bood soelaas. De eerste onderwijsmodule ging over de steeds diverser wordende spelers in internationale ontwikkelingssamenwerking (OS) en hun complexe verhoudingen. Daar moet je natuurlijk rekening mee houden.

Is Hulp en Handel wel werkelijk wat de wereld verdient?

Al snel kreeg ik ook ‘Wat de wereld verdient’ op de verplichte leeslijst: minister Ploumen’s agenda voor ‘Hulp, handel en investeringen’. Ploumen gaat met een frisse visie in op de rol van nieuwe spelers in het OS-landschap. Meer dan drie jaar na de publicatie lokt de nota nog steeds reacties uit en wordt er veelvuldig over Hulp en Handel gediscussieerd. Wat betekent deze agenda voor het voortbestaan van (met name de kleinere) maatschappelijke organisaties? Blijft er nog wel genoeg geld over voor noodhulp wanneer dat nodig is, zoals nu tijdens droogte in Ethiopië? Hoe zit het met ontwikkeling van kennis en innovatie? Maar bovenal, kunnen we de private sector wel inzetten als aanjager van verandering in internationale ontwikkelingssamenwerking?

Jazeker, vinden de voorstanders. Investeringen en handelsactiviteiten in ontwikkelingslanden leveren een directe bijdrage aan mens, milieu en economische groei. Bijvoorbeeld door het creëren van banen. Nederland beweegt zich sowieso al met steeds meer landen van een hulp- richting een handelsrelatie. Bovendien, “Waar hulp en handel elkaar raken, handelen we zowel uit solidariteit als uit het welbegrepen eigenbelang”, zo schrijft Ploumen in haar beleidsstuk. We hoeven ons dus geen zorgen te maken, mensenrechten en milieubewustzijn maken per definite deel uit van het gesprek met de private sector.

De criticasters vragen zich echter af of Hulp en Handel wel werkelijk is wat de wereld verdient. Gaan de twee wel door één ontwikkelingssamenwerkingsdeur? Nee, zeggen zij, in ieder geval niet in landen waar rechtssystemen niet functioneren en de economie op zijn dieptepunt is. In zogeheten fragiele staten bereiken de voordelen van Nederlandse handelsinvesteringen niet de mensen die een duw in de rug nodig hebben. Het zijn veelal niet de allerarmsten die een baan weten te bemachtigen bij een internationaal bedrijf of die kunnen profiteren van nieuw te ontwikkelen landbouwpercelen. En wie dan al een slaatje kan slaan uit (in)direct gecreëerde werkgelegenheid, moet vaak oppassen voor corrupte autoriteiten of illegale bendes die de verdiensten op hun beurt maar al te graag innen.

Ook het lezen van Olivier van Beemens boek, “Heineken in Afrika”, liet bij mij een nare nasmaak in mijn mond achter (die ik overigens zelf ook gewoon weer wegspoel met een koud biertje).

Wat de wereld verdient. En wat verdient de wereld eigenlijk? Oxfam laat begin dit jaar zien dat de rijkste 62 mensen evenveel bezitten als de armste helft van de wereldbevolking. Geld is extreem ongelijk verdeeld in de wereld. Zo’n 40% van de Ethiopiërs bijvoorbeeld leeft op minder dan 1 Euro per dag. Verdient een bedrijf als Heineken, met een omzet van 20 Miljard, dan wel overheidssubsidies voor ontwikkelingswerk? In een felle aflevering van Zembla wordt het bedrijf op zijn nummer gezet vanwege beweerd belastingontwijkend gedrag in Ethiopie. Ook het lezen van Olivier van Beemens boek, “Heineken in Afrika”, liet bij mij een nare nasmaak in mijn mond achter (die ik overigens zelf ook gewoon weer wegspoel met een koud biertje). Heineken en andere bedrijven ontwijken kritische vragen vaak tactisch. “We moeten ons … gewoon aan de Ethiopische boekhoudregels houden, dit is geen keuze, maar de wet.”, laat het bedrijf in een reactie aan Zembla weten. Dat vind ik iets te gemakkelijk, hoe zit het dan met solidariteit waar Ploumen over spreekt?

De vraag die we moeten stellen is misschien: Hulp en Handel voor wie? Het lijkt soms alsof Ploumen met Hulp en Handel investeert in natuurparken, speciaal voor avonturiers, met verrekijker, die opzoek zijn naar zeldzame diersoorten. Precies zoals sommige bedrijven net als Heineken op zoek zijn naar nieuwe markten met meer groei dan waar ook ter wereld. Eigenbelang? Natuurlijk is er in zekere zin ook sprake van solidariteit, want er zijn win-win-situaties. Een nationaal park levert veel meer belangrijke diensten dan slechts avontuur en bijzondere apen. Denk aan zuurstof, zuiver water en opslag van CO2 en toerisme (al dan niet duurzaam). Precies zoals de Nederlandse private sector in ontwikkelingslanden ook banen genereert en ongetwijfeld wat economische groei teweegbrengt. Groei en een rechtvaardige verdeling gaan echter niet automatisch samen. Zoals een nationaal park niet automatisch samengaat met tevreden omwonenden.

Misschien moet Ploumen het me nog eens uitleggen.

Hulp en Handel, voor wie? Dat is nogal een ingewikkelde, Ploumen erkent dat ook. Namelijk: “Waar uiteenlopende motieven een rol spelen, kunnen spanningen ontstaan. Dan wegen wij [de Minister en gedelegeerden red.] alle belangen zorgvuldig af, met duurzame en inclusieve groei als leidend principe.” Hoe Minister Ploumen deze afweging precies maakt, wordt mij in haar beleid niet volledig duidelijk. En dat onderdeel vind ik nu juist zo belangrijk. Misschien moet ze het me nog eens uitleggen, na een wandeling in het bos, onder het genot van een glaasje pils of … in een nieuwe agenda?