Sla het menu over en ga direct naar de content van deze pagina. Sla het menu over en ga direct naar zoeken.
Cordaid EN

Lothar Smith over de grondoorzaken van migratie en de rol van de diaspora

grondoorzaken van migratie en de rol van de diasporaLothar Smith is universitair docent Sociale Geografie aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Hij onderzoekt migratie en ontwikkeling en is gespecialiseerd in processen van transnationalisme tussen Europa en Sub-Sahara Afrika. Daarbij werkt hij, waar mogelijk, samen met partners in het ‘Globale Zuiden’. Zijn promotieonderzoek ging over transnationale invloeden op de economie van Accra (Ghana) en haar inwoners.

Hoe zie je het bestaande narratief over root causes, de grondoorzaken van migratie en gedwongen migratie?

Uiteraard willen we dat iedereen over de hele wereld een minimale mate van menswaardig bestaan heeft. De armoede-index geeft daar een uiting van. Als aan de criteria voor een menswaardig bestaan onvoldoende wordt voldaan, worden oplossingen gezocht, zoals lokaal dingen verbeteren.

Het punt is echter dat er een weeffout zit in het denken van o.a. de EU, namelijk dat het aanpakken van armoede zal leiden tot een afname in migratie, terwijl er juist al eeuwen oude migratie praktijken zijn die het leven op het platteland van bijvoorbeeld Ghana juist bestendig heeft gemaakt. Juist door migratie kunnen gezinnen meer verdienen of krijgen ze in ieder geval meer inkomenszekerheid. Tegelijk is het zo dat het toegenomen inkomen kan leiden tot nieuwe overwegingen om ook anderen naar de stad, of elders, te halen. Inkomensverbetering zou dus kunnen leiden tot meer migratie, wat voor beleidsmedewerkers ongetwijfeld een soort catch-22 situatie is.

Een parallel valt te trekken met de positie van de traditionele ontwikkelingswerker. Deze richtte zich op het verhogen van een bepaald ontwikkelingsniveau. Als dat doel bereikt werd, was de ontwikkelingswerker overbodig geworden. De vraag is nu of het oplossen van armoede in Afrika ook zal leiden tot het overbodig kunnen verklaren van een mobiele populatie, zoals westerse experts en ontwikkelingswerkers, maar ook migranten. Dit neigt naar een sterk deterministisch denken dat erg indruist op individuele waardes van vrijheid en zelfbeslissing.

In het zoeken naar een oplossing, moet je daarom niet enkel kijken naar overheden, maar dient deze overheid ook een beroep te doen op de verantwoordelijkheid van mensen zelf om rationele keuzes te maken. Als bijvoorbeeld op het platteland de inkomsten teruglopen, kan men kiezen om een gezinslid naar de stad te sturen of zelfs naar een ander land, om een inkomen te vergaren. Dit wordt diversification of livelihood strategies (diversificatie van levensonderhoud strategieën) genoemd. Dan heb je meerdere inkomstenbronnen om uit te putten, waardoor er meer bestaanszekerheid ontstaat. Het agency denken, wat altijd belangrijk is geweest in ontwikkelingsvraagstukken, komt hierin ook naar voren: mensen kunnen zelf dingen veranderen. Een gezin kan migratie als een oplossing zien en niet als een probleem. Daarentegen zien overheden het vaak als een probleem als mensen migreren.

 

“Mensen migreren omdat ze kansen zien om hun leven te verbeteren. Daarbij gaan ze ervan uit dat ze weer willen terugkeren naar de plek waar hun vrienden en familie zijn.”

 

Kaapstad is daar een goed voorbeeld van. Jaarlijks komen er zo’n 100.000 mensen in Kaapstad aan. Dat is een grote uitdaging. Enerzijds maakt een individu of huishouden een keuze waarin migratie een optie is. Anderzijds wordt dit in management- of beleidstermen vertaald als een probleem, omdat het leidt tot infrastructurele vraagstukken. Men gaat uit van oplossingen die sedentair zijn en zoekt zodoende naar mogelijkheden om mensen op hun plek te houden: ‘Als ik ervoor kan zorgen dat jij je niet verplaatst, kan ik veel beter beleid voeren. Zodra jij constant in beweging bent, kan ik daar mijn beleid niet op aanpassen’. Met dat achterliggende idee investeert men bijvoorbeeld in de landbouw in de oorden van vertrek, vooral om interne migratie te voorkomen; of investeert men in meer werkgelegenheid in de stad, als daarmee internationale migratie voorkomen kan worden.

Het is van belang om te begrijpen dat de meeste mensen weinig interesse hebben om internationaal te migreren, of zelfs binnen een land, en al helemaal niet als dit door verslechterende omstandigheden is afgedwongen. Daarmee wil ik zeggen dat we moeten accepteren dat een verslechtering van een levenssituatie een oplossing vereist. Dat betekent dat je mensen niet mag veroordelen als zij zich genoodzaakt voelen elders willen vestigen.

Ik heb dan ook veel moeite met de term gelukszoeker. Allereerst vraag ik me af: wat is er mis met gelukszoekers, zijn jij en ik niet ook gelukszoekers? Als wij een jaar naar Australië gaan om te werken en te genieten wenst iedereen ons veel succes, maar iemand uit Afrika noemen we een opportunist, die onze wereld op z’n kop komt zetten. Die term gelukszoeker zoals die door de Nederlandse overheid gebruikt wordt, is stigmatiserend. Het suggereert dat mensen uit een zekere wens naar luxe zijn gaan migreren, maar dat is niet altijd het geval. Mensen migreren omdat ze kansen zien om hun leven te verbeteren. Daarbij gaan ze ervan uit dat ze weer willen terugkeren naar de plek waar hun vrienden en familie zijn. Hun uitgangspunt is niet dat ze permanent ergens anders gaan wonen, zoals bijvoorbeeld Wilders suggereert. De voornaamste reden waarom met name lager geschoolde migranten zolang blijven, is omdat het zoveel kost om hierheen te komen, als dit niet met een visum en een vliegreis mogelijk is..

Diezelfde overheid die kennis wil vergaren over de root causes van migratie, maakt daarmee het leven van deze migranten en hun families in het land van herkomst onnodig moeilijk en duur. Alleen al om hierheen te komen, werken mensen zich enorm in de schulden, die ze pas na lange tijd kunnen afbetalen. Als je het hebt over root causes, moet je ook praten over institutionele barrières die overheden opwerpen voor migratie en het ontzettend duur maken om naar een ander land te reizen.

De EU definieert die root causes echter veel meer als een economisch vraagstuk. De Nederlandse overheid spreekt daarbij gelukkig wel over de grondoorzaken van irreguliere migratie, en niet over illegale migratie. Dat is al een belangrijk verschil, maar laten we niet te vroeg juichen.

 

“In de wereld ontstaat steeds meer ongelijkheid in verplaatsingsmogelijkheden van mensen. De legitimiteit hiervoor is geheel onduidelijk.”

 

Het Europese migratie- en asielbeleid maakt het onmogelijk voor mensen om te reizen. Joris Schapendonk heeft hier uitvoerig onderzoek naar gedaan. Hij onderzoekt op dit moment de vervolgroutes van mensen binnen Europa. Interessant daaraan is dat hij uitlegt dat men de legale route vaak ziet als een loterij. Omdat visumaanvragen vaak om compleet onduidelijke en ongemotiveerde redenen worden afgewezen gaat men de legale route als een kansberekening zien. Men tast in het duister over de juistheid van de criteria. Dat heeft deels te maken met het discours eromheen, maar wordt ook bevestigd door de overheid. Het gevolg hiervan is dat het dan een puur rationele keuze is om de reis naar Europa dan maar zelf te organiseren. Daar past de term ‘irregulier’ dus niet bij, want dat is een duur kansspel, waarbij wordt de kans op succes kleiner is naarmate er meer tijd verstrijkt.

Het bijkomende effect is de externalisation van machten. Er komen steeds meer partijen die invloed uitoefenen op de zogenaamde legale procedures. Het zijn niet alleen de smokkelaars, waar overheden zich op fixeren, maar ook mensen vanuit de overheid houden zich daarmee bezig. Zoals Securitas, die zich bemoeit met de handhaving van onze grenzen in naam van de Nederlandse wet. Op welke gronden?

Waarom is dit punt zo belangrijk?

‘Omdat we met verschillende maten meten. Enerzijds vinden we het normaal dat we premium of speed lanes hebben op Schiphol, waardoor mensen met een bepaald abonnement met hun pasje in een keer door kunnen lopen, terwijl de rest braaf in de rij staat. Dat is kennelijk een volkomen legaal systeem. Maar zodra mensen zelf dat soort systemen gaan toepassen is het niet meer legaal. Dat is fascinerend. In de wereld ontstaat steeds meer ongelijkheid in verplaatsingsmogelijkheden van mensen. De legitimiteit hiervoor is geheel onduidelijk; zo’n speedlane abonnement is puur op geld gebaseerd. Kennelijk kan met geld legale migratie worden gekocht. We moeten ons afvragen of dat wettelijk is.’

Hoe zie jij de relatie tussen ontwikkelingshulp en migratie?

‘Het is schitterend dat men de toekomst van mensen elders in de wereld willen verbeteren. Bijvoorbeeld met een irrigatiestelsel om landbouw productiviteit te verhogen. Daar kun je uiteraard nooit op tegen zijn. Tegelijkertijd vraag ik me af of dit een manier is om de agenda te legitimeren waarin wordt gezegd dat mensen geen reden meer hebben om te migreren, omdat ze bepaalde ontwikkelingshulp hebben gehad. Dan is het een ruilmiddel. Dat is precies wat er gebeurt met de bilaterale verdragen die getekend worden: wij geven jullie dit, om er iets anders ervoor terug te krijgen. Daar heb ik enorme moeite mee.

Nog een kanttekening. Dat een irrigatiestelsel wordt opgezet is goed, maar kijk dan ook naar de handelsrelaties. Want op dit moment zijn die ongelijk. Er worden verschillende importtarieven gehanteerd en het profijt zit niet aan de kant van de aanbieder. Dat heeft niet alleen te maken met de handelsrelaties en de bijbehorende macht, maar ook omdat ruwe grondstoffen vaak pas hier in Europa verwerkt worden. Wie zegt dat de root causes moeten worden aangepakt, moet ook een systeemanalyse doen. Als je de lokale industrie van met name de landbouw echt wilt helpen, moet je de hele keten daarheen verplaatsen en daar ondersteunen. Pas aan het eind van de keten komen wij. Zo wordt ook de relatie tussen stad en land veel duidelijker: je creëert niet alleen economische groei op het platteland, maar ook in de stad omdat daar de verwerkingsprocessen plaatsvinden.

En heel belangrijk: als de economische positie elders verbetert, kan dat dus leiden tot emigratie en niet tot het stoppen ervan, wat zeker niet een falen hoeft te betekenen als een zekere economische groei mobilisatie tot gevolg heeft, van hersenen, goederen, geld, et cetera. Subtiel is met de term mobiliteit een andere problematisering te lezen, namelijk als het potentieel van mensen, i.p.v. bij migratie, waarin de focus ligt op de issues die menselijke beweging mogelijk veroorzaakt.

 

“Gedacht vanuit de behoeftes van de markt, zou het verstrekken van flexibele visa, die uitgaan van circulaire migratie, veel logischer zijn dan het huidige beleid.”

 

Wat vind je van het onderscheid tussen verschillende categorieën migranten en vluchtelingen?

‘Onder migranten vallen veel verschillende categorieën, je kan dus moeilijk spreken van een categorie. Zoals hoogopgeleiden, voor wie het verstrekken van een onderwijsvisum voor hun studie graag geregeld wordt. Ik heb een aantal van die studenten. Na afronding van hun promotieonderzoek hebben zij nog een jaar de tijd om te zoeken naar werk in Nederland. Daar is een duidelijke reden voor. De Nederlandse overheid wil dat ze hier aan het werk gaan. Als dit niet een commitment aan eigen land in de weg zit (denk aan sponsoring van hun opleiding door de overheid) dan is dat prima.

Migratie om humanitaire redenen is weer een andere categorie. Daar is gelukkig nog steeds maatschappelijk draagvlak voor. Al is dat door de crisis wel veranderd. Sommigen worden gezien als een legitieme vluchteling, anderen als minder legitiem. Door de toestroom van politieke vluchtelingen is de positie van de economische migrant echter wel danig verslechterd. Premier Rutte heeft deze categorie ook in zekere zin ‘misbruikt’ door consequent te spreken over deze economische migranten als gelukszoekers. Hij zegt daarmee feitelijk dat deze mensen met louter opportunistische motieven deze kant op komen.

Vanuit een demografisch perspectief begrijp ik niet zo goed waarom onze Nederlandse overheid nog steeds zo argwanend staat tegenover de komst van deze mensen. Dat heeft wellicht nog altijd te maken met het gastarbeider programma uit de jaren ‘60 en ‘70, waarbij Turken en Marokkanen besloten om niet terug te keren en in plaats daarvan hun families over te brengen naar Nederland. Men is daar kennelijk zo van geschrokken, dat men niet meer dat soort visa wil verstrekken, terwijl de mogelijke probleemgevallen voor de maatschappij slechts een zeer kleine minderheid van deze immigranten vormen. Mijn tegenargument is: als je mensen gewoon een werkvisum geeft (en dat kost meer dan een ticket), kan men snel gaan sparen en zal men ook weer eerder in staat zijn om allerlei activiteiten op te zetten in eigen land, wat de kans op terug gaan, of heen en weer pendelen als ware wereldburgers, mogelijk maakt. Niemand kiest er namelijk vrijwillig voor om lang weg te blijven bij zijn of haar gezin.

Nederland is daarbij ook nog eens snel aan het vergrijzen, maar onze overheid denkt nog steeds dat het in een luxesituatie zit waarin het economisch gezien het verstandig is om mensen tegen te houden. Echter, nu al zitten we met nijpende tekorten in sommige sectoren, zoals bijvoorbeeld in de gezondheidszorg. Wij mogen eigenlijk blij zijn met de mensen die door de mazen van de wet weten te komen om hier dat soort werk te doen. Straks moeten we namelijk gaan wedijveren met allerlei andere snel vergrijzende landen, niet alleen in west Europa, maar ook bijvoorbeeld in Azië. Een land als China is bijvoorbeeld nu al bezig om Afrikaanse migranten aan te trekken omdat men daar de komende decennia een snelle vergrijzing en zelfs populatie afname verwacht, idem Japan. Dit demografische vraagstuk vergt dan een heel andere manier van denken over migratie. Gedacht vanuit de behoeftes van de markt, zeker op de middellange tot lange termijn, zou het verstrekken van flexibele visa, die uitgaan van circulaire migratie, veel logischer zijn dan het huidige beleid.’

 

“Als je het dan mensen makkelijk maakt om ergens heen te gaan, maak je het ze ook makkelijker om weer terug, of naar elders, te gaan.”

 

Zijn demografen voldoende betrokken bij dit debat?

‘Hoewel meer een geograaf is Ton Dietz, tot voor kort directeur van het Afrikastudie centrum in Leiden, bijvoorbeeld iemand die zich daar flink mee bezighoudt. Hij houdt dan ook zeer van cijfers en van extrapoleren van huidige cijfers richting een nabije toekomst, waarmee hij bijvoorbeeld het argument wil maken dat Europa zich in haar beleid op moet gaan maken voor een flinke instroom van jonge Afrikaanse migranten de komende tien jaar. Die cijfers zijn echter juist koren op de molen van mensen die bang zijn voor migranten. Wat ik mis in zijn presentatie, waarmee die schrik wellicht weggenomen kan worden, en daarmee het draagvlak voor een conservatief immigratiebeleid, is het inzicht dat er niet alleen grote aantallen migranten gefaseerd komen, er zullen – gefaseerd – ook weer een flink aantal terugkeren. Want Europa is best een leuk continent vol kansen, maar er zijn nog allerlei andere mooie plekken op deze wereld om heen te gaan, ook in Afrika. Als je het dan mensen makkelijk maakt om ergens heen te gaan, maak je het ze ook makkelijker om weer terug, of naar elders, te gaan.

Dat was ook het geval met de pardonregeling. Ook al was het een goede, humanitaire regeling, in wezen was het vooral een correctie op verkeerd beleid. Die regeling zorgde er namelijk vooral voor dat mensen zich binnen Europa gingen verplaatsen naar dat land waar men onder een dergelijk pardon kon vallen. Wat dat betreft is Nederland ook al lang niet meer alleen verantwoordelijk voor haar eigen beleid; als ergens een migratieroute wordt afgesloten, zullen migranten op zoek gaan naar andere routes, via andere landen. Nationaal beleid heeft dus altijd een waterbedeffect op de rest van het continent en met name op andere landen binnen de EU.’

Welke rol zie jij voor diaspora’s om aan ontwikkeling bij te dragen?

‘Migranten- en diasporaorganisaties heb je in allerlei soorten en maten. Het is daarbij niet altijd even helder in hoeverre zij bepaalde etnische groeperingen binnen de maatschappij vertegenwoordigen. Tegelijk, representativiteit is minder relevant voor een migrantenorganisatie dan voor een overheid, hun mandaat mag die van een specifieke groep betreffen. Dat stelt ook meteen een andere vraag, namelijk: hoe persoonlijk mag de agenda van diaspora zijn waarmee bepaalde ontwikkelingsvraagstukken aan worden gepakt? Mag enig persoonlijk profijt een resultaat zijn, bijvoorbeeld omdat dorpelingen of mensen uit eigen sociale netwerk profiteren van een bepaald initiatief?

Overheden als de Nederlandse zeggen tegen migranten- en diasporaorganisaties dat zij beter weten wat er speelt in de dorpen en de regio’s dan typische ontwikkelingsorganisaties, omdat zij er vandaan komen. Vanuit een transnationaal perspectief is dat wellicht ook zo, maar een verblijf in het buitenland, en bepaalde omgang met elkaar als diaspora, kan het perspectief en interesses van mensen sterk veranderen.

 

“Als een diaspora goede contacten heeft onderhouden en bereid is om op een transnationale manier te werken, kan het als katalysator ontwikkelingen op gang brengen.”

 

Een voorbeeld. Met een collega deed ik onderzoek in een klein dorp in Zuid-Afrika. Daar spraken we met een groep mannen die in een kraal bier aan het drinken waren, dit al om 11.00 uur ’s ochtends. Zij bleken de vaders en de ooms van een groep jongens die ritueel werden geïnitieerd om ‘echte mannen’ te worden. Daarvoor moet je traditioneel met weinig middelen een maand in de bush zien te overleven. Als dat lukt ben je een echte man. Door werk drukte was deze periode inmiddels verkort tot een week. Een van die mannen zei dat wij, bij het maken van aanbevelingen uit ons onderzoek, het dorp irrigatie moesten komen brengen, want dat had men hier nodig. Maar deze man woonde al 20 jaar niet meer in het dorp, en bleek ook amper meer iets te weten van de laatste stand van zaken in de lokale landbouw. Daaruit blijkt maar weer dat migranten zich makkelijk kunnen representeren als dorpsbewoners, met een duidelijke visie en agenda, maar er niet vanuit gegaan mag worden dat zij goed weten wat er speelt in een regio van herkomst, of dat zij ook werkelijk het perspectief van lokale bewoners vertegenwoordigen.

Een tweede voorbeeld. Sri Lanka zit in een postconflictsituatie, waarmee het in een nog complexere heropbouw fase zit dan het Zuid Afrikaanse voorbeeld. In Colombo, de hoofdstad, ontmoette ik Sri Lankanen die al 20 jaar in Canada of Zwitserland woonden, met een enorme passie om de economische en sociale schade als gevolg van het conflict weer ongedaan te maken. Als ze in Sri Lanka komen, gaan ze echter naar Colombo waar ze misschien een familielid ontmoeten die is overgekomen uit het dorp. Maar hun visies op ontwikkeling zijn soms tamelijk losgezongen van het dorp.

Dat je dus ergens bent opgegroeid betekent nog niet dat je expert bent en weet wat daar nodig is. Tegelijkertijd, als een diaspora goede contacten heeft onderhouden en bereid is om op een transnationale manier te werken, dan kan het heel goed als een soort katalysator bepaalde ontwikkelingen op gang brengen. Deze kunnen echter niet altijd overeenkomen met de wensen van de staat van het land van herkomst. Daarbij kan dan een grote mismatch ontstaan tussen de verwachtingen van de overheid en de praktijk van diasporaorganisaties. Het welbekende Tres por Uno programma van de Mexicaanse overheid laat hier zowel goede als minder goed werkende voorbeelden van zien.

Een laatste voorbeeld. In Somalië is de overheid vrijwel afwezig, dus de diaspora neemt daar feitelijk de verantwoordelijkheden over van de overheid. Dat zie je in andere gebieden ook gebeuren. Als de overheid afwezig is, worden andere institutionele regel systemen legitiem. Complex aan diaspora’s is dat hiermee soms bepaalde autoriteitsprocessen worden gehanteerd die vergelijkbaar zijn met het systeem van autoriteiten in de dorpen, denk hier bijvoorbeeld aan de rolverdeling van mannen en vrouwen in de organisatie van een diaspora organisatie. Herhalen die zich hier in Nederland en in Europa, of zie je toch dat er nieuwe vormen van democratisering plaatsvinden?’

Onder welke omstandigheden dragen diaspora’s positief bij aan ontwikkeling en is de samenwerking tussen overheden, ngo’s en diasporaorganisaties succesvol?

‘Het werkt goed als een gemeenschappelijk en duidelijk vastgesteld doel ook voor eenieder een zekere meerwaarde oplevert. Zodra een van de partners een geheime agenda heeft die anders is dan het doel, of wanneer er verschillende mogelijkheden zijn om dat doel te bereiken, is het project vaak gedoemd om maar slechts gedeeltelijk te slagen, of zelfs te mislukken.

 

“We moeten veel meer op een ondernemende manier samenwerkingen opzoeken, waarin we elkaars vaardigheden gebruiken.”

 

Er zijn daarbij verschillende fases te onderscheiden waarin partners met elkaar kunnen samenwerken. De fout die wij in een project bijvoorbeeld gemaakt hebben (ik spreek nu als betrokken wetenschapper) is dat we dachten dat alle partners bij alle fases betrokken moeten zijn. Dat leidde op een gegeven moment tot een sluimerend conflict in prioriteiten.
Dialoog is in ieder geval heel belangrijk, zodat geen van de partners zich gepasseerd hoeft te voelen. Dit proces verdient veel aandacht: er moet dan tevoren ook niet teveel nadruk liggen op tastbare eindproducten. Goed projectmanagement ontbreekt daarnaast ook vaak bij diasporaorganisaties. Dat heeft niet zozeer te maken met de manier waarop ze bepaalde initiatieven op gang brengen, wat heel doelgericht kan zijn, maar is bijvoorbeeld terug te zien in beleidsrapportage en media presentaties. Een ngo zou bijvoorbeeld makkelijker die vertaalslag naar beleid kunnen maken.

Partnerschappen zijn bijna per definitie tijdelijk. We moeten dan ook veel meer op een ondernemende manier samenwerkingen opzoeken, waarin we elkaars vaardigheden gebruiken. Langdurige relaties leiden uiteindelijk alleen maar tot frustratie, omdat partners op een bepaald moment zien dat ze verschillende kanten op willen.’

Wat is volgens jou de rol van remittances (geldovermakingen)?

‘Er ontstaan steeds meer alternatieve financiële systemen. Het marktaandeel van westerse donoren wordt almaar kleiner, omdat er allerlei apps bestaan en andere manieren om geld over te maken. Een van die systemen is de mobiele telefonie en mobiel bankieren en betalen. Dat is fascinerend, omdat juist veel migranten het liefst kleinere bedragen willen overmaken.

Toen ik in 2007 mijn veldwerk in Ghana deed, stuurde men grote bedragen naar een vertrouwd persoon in de stad, die op pad ging om geld aan verschillende familieleden te brengen. Tegenwoordig gebeurt dat op een veel flexibelere manier. Nog steeds kan een vriend een rol spelen, maar er wordt vooral via telefoons vaak geld overgemaakt. De kosten daarvan zijn heel erg laag, maar zeker nog altijd winstgevend voor telefonie bedrijven. Voor het behouden van goede relaties met het thuisfront is deze ontwikkeling gunstig, want men kan nu vaker kleine bedragen over maken. Dit vermijd langdurige stiltes als migranten nog geld moeten sparen, voordat ze een groter bedrag naar een vertrouwd persoon sturen, omdat men voorheen liever veel geld in één keer wou overmaken om de transactiekosten laag houden.

In sommige landen heeft men ook hoge verwachtingen van emigranten. Als je terugkomt, moet je koffers vol cadeaus meenemen. Die druk op migranten van familie en vrienden kan heel hoog zijn. Dit stond ook centraal in mijn proefschrift. Soms verblijft een terugkomer dan ook bewust anoniem in het land van herkomst als men daar is om de vorderingen te bekijken van het huis wat men in de stad aan het bouwen is, of om toezicht te houden op een opgericht bedrijfje.

Overigens wordt het beeld van succesvolle migranten die het gered hebben tot Europa ook wel door migranten zelf in stand gehouden. Ze delen foto’s die succes en niet mislukking tonen (al is dit een algemene menselijke trek, zie bijvoorbeeld berichten met foto’s op Facebook). Er ontstaat hiermee wel een discours van wenselijkheid en een discours van realiteit. Die twee verhouden op een interessante manier tot elkaar, want ook vanuit het land van herkomst wordt soms maar wat graag aanvaard dat de migranten het elders goed hebben – het maakt het dan alleen maar makkelijker om hen om een financiële gunst te vragen. Ik verwacht dat die relatie per generatie gaat veranderen. De tweede en derde generatie Turken en Marokkanen gaan bijvoorbeeld ook niet meer per se respectievelijk naar Turkije of Marokko in de zomervakantie. Die willen best ook een keertje naar Cuba of naar de Spaanse stranden, ook omdat ze weten dat wanneer ze naar de dorpen in Turkije of Marokko gaan ze geld en cadeaus moeten uitdelen, dit aan mensen die ze soms nauwelijks meer kennen.’

Hoe zie jij het proces van integratie?

‘Het integratieproces is afhankelijk van allerlei factoren. Hebben we het bijvoorbeeld over Amerikanen in Amsterdam? Want zij integreren niet of nauwelijks. We laten hen eigenlijk buiten beschouwing in de discussie over integratie. Ik vind het een opvallend gegeven dat expats altijd worden ontzien in het idee dat migranten kunnen bijdragen aan de Nederlandse maatschappij.

Maar we vinden wel dat politieke en economische migranten en vluchtelingen zich zo snel mogelijk moeten aanpassen. Daarmee spreken wij de wens uit dat deze mensen in Nederland blijven, terwijl we juist ook willen dat ze weer weggaan, zeker als dit vluchtelingen zijn. Daar zit toch een opvallende paradox in. Eigenlijk zeggen we daarmee: je bent alleen welkom als je snel onze cultuur leert kennen en als maatstaf hanteert. Maar het garandeert niet dat je hier permanent mag blijven.

 

“Het zou niet alleen eenrichtingsverkeer moeten zijn, waarbij de migrant moet geven en moet begrijpen hoe wij in elkaar steken. Het is een wisselwerking.”

 

Ook is het belangrijk de rol van taal in het integratieproces in acht te nemen. Kunnen mensen beter functioneren als ze bijvoorbeeld de taal van het land van aankomst of verblijf spreken? Ik denk van wel, maar dat is per functie verschillend. Met de schoonmaakster op mijn werk spreek ik bijvoorbeeld Spaans, maar dat maakt onze interactie niet anders. We spreken met elkaar over het weer, want dat doen we nu eenmaal in Nederland. Wat dat betreft is ze perfect geïntegreerd, ze snapt heel goed dat ze over het weer moet praten, maar het is wel in een andere taal. Is de taal dan belangrijk voor integratie? Wat is integreren dan precies? Het gaat om thickness of interaction (de diepgang van interactie) en dat kan frictie veroorzaken. Is integratie gebaseerd op praktijken? Dat is lastig, omdat de ‘eigen’ cultuur ook verandert.

Bij sommige functies is de taal belangrijker dan bij andere. Er is een groot verschil tussen het werken als chirurg in een ziekenhuis en lesgeven in een kas. We creëren echter steeds meer verschillende niveaus van kwaliteit van leven voor bepaalde groepen mensen. Het leidt tot verschillende eisen voor huisvesting waarbij bijvoorbeeld migranten die vooral fysiek werk verrichten maar met minder tevreden moeten zijn.

Dat is het complexe weefsel van het sociale integratievraagstuk. Het zou daarbij ook niet alleen eenrichtingsverkeer moeten zijn, waarbij de migrant moet geven en moet begrijpen hoe wij in elkaar steken. Het is een wisselwerking. Het betekent ook dat wij bereid moeten zijn onze cultuur soms te veranderen. Maar wat is onze cultuur? Is dat taal, geboorteplaats, etc.? Dat is de hogere complexiteit van het vraagstuk, terwijl deze discussie te vaak lang blijft hangen bij de kleine dingen van integratie, zoals bijvoorbeeld fysieke of sociale overlast. Die marginale zaken duiden, mijns inziens, soms vooral op een gebrek aan werkelijke bereidheid om een interactie aan te gaan met migranten.

De vraag is hoe je die bereidheid tot samensmelting bereikt bij mensen die alles hetzelfde willen houden. Hoe ga je om met deze groep mensen? Geven wij die mensen het recht om aan dat standpunt vast te houden, of luisteren wij naar ze om ze uiteindelijk te overtuigen dat ons standpunt het enige juiste is? Neem de zwartepietendiscussie, die ik sterk polariserend vind. Ik zie een afnemende bereidheid in de samenleving om met elkaar te praten. Waar zit de bindende factor en wat is die? Dit is niet alleen een landelijk maar ook een Europees vraagstuk. Hongarije, bijvoorbeeld, staat heel anders tegenover vluchtelingen en migranten. Mogen zij dat standpunt innemen? Wat zijn hun zorgen? Het is van cruciale waarde om goed te luisteren naar de zorgen van deze groep mensen, maar dit betekent niet dat ze daarmee ook gelijk hebben, want deze vraagstukken gaan niet zozeer om een ranking van normen, maar om de frictie tussen verschillende interpretaties hiervan.’

Dit interview is afgenomen binnen het MIND-project. MIND staat voor ‘Migration, Interconnectedness, Development’ en is een driejarig project dat mede gefinancierd wordt door de Europese Commissie. In dit project werkt Cordaid samen met 11 Europese Caritas-partners, met als doel bewustwording te creëren onder beleidsmakers en het publiek over de link tussen migratie en ontwikkeling.